Cathelijne van den Bercken

India 2003-2004

Mumbai, Goa, Karnataka, Kerala, Varanasi, Rajasthan

December 2003 – April 2004

CvdB_0001
CvdB_0002
CvdB_0003
CvdB_0004
CvdB_0005
CvdB_0006
CvdB_0007
CvdB_0008

CvdB_0011
CvdB_0012
CvdB_0013
CvdB_0014
CvdB_0015
CvdB_0016
CvdB_0017
CvdB_0009
CvdB_0010
CvdB_0018
CvdB_0019
CvdB_0020
CvdB_0021
CvdB_0022
CvdB_0023
CvdB_0024
CvdB_0025
CvdB_0026
CvdB_0027
CvdB_0028
CvdB_0029
CvdB_0030
CvdB_0031
CvdB_0032

My experience, while travelling with my Swiss friend Denise through:

Mumbai (arrival)
Benaulim (beachtime)
Kamalapuram (hospital)
Hampi (rocky landscape)
Bangalore (sari’s)
Mysore (spices)
Ooty (cold and pollution)
Kodaikanal (Denise’s birthday)
Munnar (mountain walks)
Fort Cochin (shopping)
Varkala (fortune teller)
Kovalam (cookery class)
Kanyakumari (sunset and sunrise)
Pondicherry (crispy baguettes)
Mamalapuram (fresh fish)
Chennai (the Oscars)
Varanasi (meditation)
Agra (Taj Mahal)
Jaipur (cooking for Indian family)
Mandawa (painted haveli’s)
Nawalgarh (homestay at Pinky’s)
Jaipur (the fort)
Pushkar (holy lake)
Mumbai (buying the last souvenirs)
Matheran (cooling down)
Mumbai (fly out)

worst city
Mumbai, too many people, too much pollution, too hot and too expensive.

worst sight
the public toilet at Jhunjhunu busstand, shit everywhere.

worst hotel
Bangalore, every morning at 6.30 am the dhobi wallah (laundry man) started smashing the laundry on the roof right above our room.

worst purchase
the white chudidar with red collar, it’s all pink and dirty now.

worst sunset/sunrise
Goa, I was every evening at the beach but the sun vanished behind the clouds before it could dip into the ocean.

worst weather
Kodaikanal hillstation, because of the viewdisturbing clouds at the same altitude as the town.

worst drink
Beer served in a china teapot accompanied by a big mug, in Fort Cochin, because they are not allowed to serve beer, so they put ‘teapot’ on the menu.

worst food
The mayonaise from a Benaulim beachshack, that caused my salmonella
infection with the result that I had to spend one week in an Indian hospital.

embarissing moment
Vomiting at Gangaur festival with the attention of all locals, not used to any foreigners.

worst hats
Indian lady’s in their elegant sari’s, wearing a funky cap.

worst people
Enlightened travellers in their old filthy clothes, walking barefeet through the dirty streets.

worst local experience
In public on the streets burping and spitting of Indian men.

worst transport
The bumpy dusty superfast local busses

worst diary notes

The Ayurvedic (herbal treatment) basics written down just after an oil
treatment, so not readable anymore.

worst poverty (moneywise)
Buying a samosa for the children at the railway stations, so poor that they are not even able to buy at least one meal a day.

worst poverty (life)
The cheating of a lot of Indians, working in touristbusiness.

worst music
The chanting, electronically amplified, at the temples at 5.00 am in the morning next to your hotel.

worst mistake
The camelsafari into the ‘desert’ only 2 km outside of the town Mandawa, as if you go camping in your own backyard.

worst feeling

Feeling homesick in the hospital in Kamalapura.

…and now the other side of India!

best city
Pushkar, because of the shopping I did for selling items on Queens Day, 30th of April.

best sight
Candle light dinner under the stars in the courtyard of my homestay in unspoiled Nawalgarh, Shekhawati.

best hotel
My cosy little room and balcony with candles and view over Pushkar Lake.

best purchase
Tailor made stuff: pillows, shoes, dresses, suits, matrasscover, shirts, trousers…

best sunrise/sunset
Kanyakumari, the end of India in the south, where you can watch the sunrise and sunset at the same spot.

best weather
Warm and sunny during the day, cold and clear at night in Munnar in the Nilgiri hills.

best drink
Masala chai (sweet milktea with sugar, spiced up by a special herbal mix), amazing how addictive tea can be.

best food
Morning fresh fried sweet jelabi for breakfast.

best view
The magnificent green teagardens of Munnar.

best people watching
The smiling children!

best local experience
Cooking at home with Pinky in Nawalgarh and with Asgar in Jaipur.

best transport

The second class daytrain, chatting with the locals, sipping hot chai and enjoying the views out of the open windows.

best diary notes
All the Indian recipes I collected along the way.

richest experience (moneywise)
Enjoying the unlimited breakfast buffet at the five star Park Sheraton in
Chennai from 6.30 – 10.30 am (because this was the only place Denise and I could watch the Oscars life), spending our budget of a whole day.

richest experience (life)
The new friends I made, Indian friends and traveller friends.

best music

On my delicious ipod.

best lesson

Start with trust in people (until they might prove otherwise) and you will make friends easily.

best feeling
I am touched by the warmth of the Indian people, the delicous food and the bold colours. I am happy that I took the chance to travel here with Denise and I am also happy to go back to springtime with a lot of inpsiration, good memories and many photos.

 

——————————————————————————–

Het ziekenhuis

 

Daar lig ik dan, op een ijzeren bed in een Indiaas ziekenhuis. Wie had dat gedacht. Ik niet. En dan ook al na de eerste week in Goa. Wat het meest ontwikkelde deel van India zou moeten zijn.

Vandaag is mijn laatste dag hier. Morgenochtend na het ontbijt mag ik weg. Na vijf dagen… beste een lange tijd. Maar de tijd gaat steeds sneller.
De eerste dag kwam ik hier om wat antibiotica te halen, want de diarree hield al 5 dagen aan. Daarna wilden we door naar Hampi. Nou, niet dus. De bloedtest laat salmonella-infectie zien. De dokter is blij dat ik er zo snel bij ben, anders had ik een maag- of darmperforatie gehad. En ik ben er ook blij mee.

De kliniek bestaat uit slechts een paar ruimtes. De behandelkamer van de dokter, een kamer voor de technicus, een apotheek, een wachtruimte en twee ‘slaapkamers’. Ik verblijf in de achterste kamer, met balkon! Er staan twee bedden en er is een aparte wc (squad type) met een kraantje. De ruimte is 5 x 5 meter met een hoog plafond met twee ventilatoren. De kamer is licht met rondom ramen.
Ik heb een dag nodig gehad om aan het idee te wennen dat ik hier ongeveer een week moet blijven. Het is zo raar, ik voel me helemaal niet meer zo ziek. Want gisteren was, na twee dagen koorts, mijn temperatuur weer normaal. Wat een sluwe bacterie.
In het begin was ik erg verdrietig en ellendig. De dokter denkt dat ik bang ben voor de bacterie in mijn lijf en voor het infuus dat elke dag opnieuw in mijn arm wordt geprikt. Ik leg hem uit dat het eenzaamheid en verveling is.

Elke ochtend bij het wakker worden, open ik de ramen van mijn kamertje. Ik schuif de klamboe opzij en ik kruip nog even terug in m’n bedje. Vanuit deze positie kijk ik door de open ramen naar buiten. Er komt een lekker fris briesje naar binnen. De zon komt langzaam omhoog. Ik zie al het groen om het gebouw. Ik kijk en luister naar de vogeltjes in de bomen. Een vlinder komt voorbij fladderen.
Rond acht uur zitten er heel veel knalgroene vogeltjes in de grote boom bij het raam. Ze zijn net zo felgekleurd groen als de frisgroene rijstvelden. Het is moeilijk om ze te fotograferen. Ze zien de lens spiegelen en dan vliegen ze weg. Om 1 minuut later weer terug te komen. De derde dag is het gelukt. Ik heb er eentje te pakken genomen!
Dit is de westkant van het gebouw. Het raam in mijn kamer aan de noordkant zit klem en gaat niet open. De ramen zijn van melkglas dus daar kan ik niet door naar buiten kijken. Ik hoor wel de koeien door het stro schuifelen en ik hoor hun bellen klingelen. Als ik op het balkon ga staan kan ik ze wel zien, een meter lager.
Op het zuiden heb ik ook een raam, aan het hoofdeinde van mijn bed. Als ik dit raam open doe heb ik uitzicht op het erf van de buren. Tegen het raam aan ligt een grote berg stro. Vijf biggetjes dribbelen driftig heen en weer over de stroberg. Moeder big ligt lui op haar buik in de stront op het topje van de berg.
Aan het eind van de ochtend komen er nog een paar koeien bij. Vooral de biggetjes zijn erg schattig! Er is er eentje met zwarte vlekjes. Dat is mijn favoriet.

Om half negen klopt Nagaraj op mijn deur. Hij is in dienst van de dokter. Hij doet allerlei klusjes. Hij komt m’n ontbijt brengen. ‘Breakfast, madam’. Een kop chai, thee met veel melk en veel suiker. Erbij vijf sneetjes geroosterd brood met jam. Met moeite krijg ik er eentje op.
Een uur later komt de dokter om mijn temperatuur, bloeddruk, vochtgehalte en vitaminegebrek te onderzoeken. Daarna roept hij zijn assistant Suresh, om me vervolgens met het infuus lek te prikken. Ik weet dat het alleen maar goed voor me is. Het is de enige manier om snel vocht en vitamines in m’n lichaam bij te vullen. Na anderhalf uur is de fles leeg. De pijnlijke naald mag er gelukkig uit. Ik ben blij als ik na drie dagen geen infuus meer hoef.

Aruna, het meisje dat de medicijnen in de apotheek uitgeeft, komt een rondje door m’n kamer lopen. In haar hand heeft ze een dik stuk, heftig rokend, wierook. Het ruikt heerlijk. ‘To desinfect, madam’.
Dan is het tijd om te douchen. Een grote emmer onder de kraan en een kleine emmer om het water uit de grote te scheppen om over me heen te gooien. ‘Bucketshower’. Ik vind het fijn om eindelijk na 3 dagen mijn haren te kunnen wassen onder een kraan met veel water. Stukken beter dan het piezelstraaltje uit de douche van het vorige guesthouse. Ik ga buiten op het balkon zitten om m’n haren te laten drogen in de zon. Ik voel me weer helemaal fris.
Elke dag hier in de staat Karnataka is als een perfecte Nederlandse zomerdag. Een aangename warme zomerjurkjes temperatuur, niet te heet. Een licht briesje zorgt voor frisse lucht . Dit is helemaal perfect.

Nagaraj komt mijn kamer binnen met een bezem. ‘To clean room, madam’. Hij is Engels aan het leren. Even later gaat hij naar boven en komt hij terug met mijn lunch. Nagawini, de vrouw van de dokter, maakt alle maaltijden voor mij. Dan weet de dokter zeker dat het veilig en schoon is wat ik eet. Na een paar dagen ben ik wat aangesterkt en ik mag m’n bed uit, naar boven naar het appartement van de dokter. Ik drink chai met Nagawini en ze geeft me familierecepten van het heerlijke eten dat ik elke dag krijg. Het lijkt allemaal heel simpel, als je maar de juiste kruiden hebt.
Mijn lunch van vandaag bestaat uit een curry van boontjes, worteltjes en linzen. Daarbij krijg ik een groot bord met een gigantische berg witte rijst. Dit zijn wel vier porties! De dokter zegt dat ik goed moet eten om wat gewicht bij te krijgen. Ik ben zo’n 2 kilo afgevallen. Ik moet het hele bord leegeten! Ik zeg hem dat ik zelfs thuis in Europa niet zo veel eet en dat vijf geroosterde boterhammen voor ontbijt ook veel te veel is. Kan Nagawini alsjeblieft wat minder opscheppen? Ik vind het zo zonde om de rest allemaal weg te moeten gooien.

Na mijn siesta komt Denise op bezoek. Ze heeft een fiets gehuurd. Elke dag komt ze uit Hampi, 7 km fietsen. Om me op te zoeken en bij te kletsen. Ze heeft een paar uitgeprinte e-mails voor mij bij zich. Het is erg leuk om berichten van het thuisfront te lezen. Ze is vergeten om te lunchen en ze eet het laatste beetje van mijn overheerlijke lunch op.
Ik ben blij dat ik met haar samen reis. Het is iedere keer weer leuk om elkaar te zien. Ze is er echt voor me en ze zegt dat ze zich niet op haar gemak zou voelen als ze nu een paar dagen ergens anders heen zou gaan. Ik heb wel met haar te doen. Ze vindt Hampi niet zo leuk met al die omhooggevallen hippies die met een vage weeiige blik in hun ogen op hun blote voeten rondschuifelen. We zouden maar twee nachten blijven. Dat wordt minstens een week nu.
Denise fietst voor het donker weer terug. Mijn moeder belt me om te vragen hoe het nu met me gaat. Dan is het tijd voor diner. Dat is gelukkig in proportie. Drie dunnen pannekoekjes en een voortreffelijke rode bietensalade. Ik heb rode bietjes nooit lekker gevonden, maar deze versie is erg goed!

Het is al donker. De ramen zijn dicht tegen de muggen. De tralies aan de binnenkant van het raam geven me wel een beetje een opgesloten gevoel. Nagaraj komt binnen met een spiraal wierook, ook tegen de muggen. Ze vallen met bosjes omlaag van het plafond. De wierook zal blijven branden totdat ik in slaap gevallen ben.

——————————————————————————–

Het Shiva-festival

Denise en ik zijn in Zuid-India, Fort Kochi. Een sfeervol stadje aan zee, met vele koloniale gebouwen en heerlijk eten. Denise heeft al drie weken een flinke verkoudheid en af en toe griep. Met haar tweede antibiotica kuur blijft ze nu toch maar een paar dagen binnen. Ze trotseert de vochtige hitte overdag en de pesterige muggen in de nacht.

Een paar dagen geleden hoor ik van een festival met olifanten. Het vindt binnenkort plaats. Sindsdien vraag ik her en der waar en wanneer. Iedere keer vertellen ze me wat anders. Totdat ik vanochtend via via te horen krijg dat het festival vandaag is. In een tempel een half uur hier vandaan. Eerst ga ik nog even lunchen. Een typisch zuid-Indische vegetarische thali. Een grote roestvrij stalen schaal met kleine kommetjes met allerlei heerlijkheden. Van gezonde linzencurry tot pittige aardappels en van flinterdunne papadums tot eenvoudige witte rijst. Dan neem ik de hobbelige supersnelle lokale bus naar de tempel. Al toeterend baant de buschauffeur zijn weg door de smalle straten. De tempel ligt buiten het reguliere toeristengebied. Er zijn nog maar weinig mensen die Engels spreken hier. Ik ben te vroeg en er is nog geen olifant te bekennen.

Ik loop door de versierde toegangspoort. Rondom de tempel zitten wel vijfhonderd mannen, vrouwen en kinderen in lotushouding netjes in rijen tegenover elkaar. Iedereen heeft een bananenblad voor zich liggen waarop allerlei hapjes uitgestald liggen. Een hoopje rijst, een prakje bonen, een geel goedje en een rood goedje. Het lijkt verdacht veel op mijn lunchthali. Ze wachten op de gong en dan begint iedereen te eten. Bijna een half uur gaat voorbij. Dan is het tijd voor dessert: paisam. Een speciale zoete rijstebrij op smaak gebracht met kardamom en kaneel. Paisam wordt alleen in festivaltijden en voor bruiloften gemaakt. Mannen lopen opnieuw langs de rijen mensen. In hun ene hand een grote pollepel, in hun andere hand een volle emmer met heerlijke paisam.

In een hoek van het terrein staan gigantische ketels van anderhalve meter doorsnede. Gevuld met rijst en groenten staan ze op hoog vuur. Mijn altijddurende nieuwsgierigheid naar exotisch eten, voert me naar deze hoek. Ik ben de enige buitenlander en al gauw komt een ‘servant’ op me af. Het geijkte ‘hello hello’ – ‘what’s your name?’ – ‘what’s your country?’ – ‘how do you like India?’ wordt op me afgevuurd. Zijn naam is Sachith en hij wilt me alles laten zien. Hij is erg trots op de tempel waar hij mag werken. Hij brengt me naar de achtertuin. Daar zijn ze dan. Vijf grote olifanten herkauwen op suikerriethalmen. Ze zullen later voor de optocht worden uitgedost.

Sachith loopt met mij terug naar de tempel. Alle lunchende Indiers zijn opgestaan en gaan op weg naar huis om uit te rusten van de lunch die de tempel aangeboden heeft. Ze krijgen de lunch in ruil voor de financiele offers die ze gebracht hebben. Hoe meer geld, hoe beter de goden gezind zullen zijn. Bij de ingang van de tempel hangt een ‘menu’ met de prijzen voor bepaalde ‘wensen’.

Nu is het tijd voor de koks, de servants en al het andere personeel van de tempel om te lunchen. Sachith strijkt neer in lotushouding in ik moet naast hem plaatsnemen. Ik voel me een beetje ongemakkelijk, Ik ben de enige buitenlander en als enige vrouw, met allemaal nieuwsgierig starende ogen om me heen. Ik kan het niet over m’n hart verkrijgen om nee te zeggen tegen mijn tweede lunch van vandaag. Ik laat het allemaal maar over me heen komen. Ik maak een duik in de hinducultuur en ik laat me overspoelen door het vriendelijke onbekende. Ik doe een schietgebedje opdat mijn maag niet op zal spelen vanmiddag en ik proef van alles een beetje. Het zal wel loslopen, het is vegetarisch en vers gemaakt. Het is erg lekker en het verbaast me hoe ze dit voor elkaar krijgen. Smaakvol en gezond eten, voor zoveel mensen in een keer. Ik laat een gaatje voor de tweede ronde want ik weet dat de heerlijk zoet paisam nog moet komen. Nu heb ik echt genoeg gegeten. De kilo’s die ik in het ziekenhuis verloren heb zullen op deze manier er wel weer aankomen.

Sachith stuurt me weer terug naar Fort Kochi. Er is niks meer te beleven in de tempel. Pas aan het eind van de middag begint de optocht. Ik ga terug om ook een siesta te doen. Mijn maag blijft rustig. Later neem ik weer dezelfde hobbelig supersnelle bus richting de tempel. Sachith legt uit dat het festival vandaag, ter ere van de Hindugod Shiva is.

De olifanten zijn opgetuigd met grote gouden versieringen en elke olifant wordt bereden door een sadu (priester). Gevolgd door mannen uitgedost in kleurrijke kostuums met grote bloemenwaaiers om hun hoofd en pluizige verentooien. Aan het eind van de stoet rijdt een grote vrachtwagen met in de open laadbak zo’n twintig jongens gekleed in oranje ‘lunghis’ (wikkelrokken). De jongste is slechts een jaar of 12, de oudste 25. Uitbundig dansen ze op de keiharde klassieke Hindimuziek die uit te grote speakers galmt. De vrouwen en kinderen staan te zwaaien langs de kant van de weg en kijken hun ogen uit. Naar de optocht en naar mij in m’n zijden sari. Er zijn nu een handvol toeristen te tellen en ik voel me niet alleen met alle aandacht en uitleg van iedereen om me heen.

Het is een van de eerste keren dat ik m’n sari draag. Een buurvrouw heeft me geholpen om de 6 meter lange zijde stof elegant om me heen te wikkelen. Ik ben het dragen van de sari duidelijk nog niet gewend. Af en toe komen de vrouwen uit de buurt naar me toe en plukken her en der aan m’n sari om de vorm weer te fatsoeneren. De meisjes staan verlegen te giechelen als ik naar ze terugzwaai. Ik voel me net Sinterklaas. De jongetjes zijn minder verlegen. Ze komen druk pratend op me af en vragen honderuit in Hindi. Ik kan alleen maar naar ze lachen. Het enige dat ik begrijp is ‘one rupee’ en ‘photo photo’. Ze zijn gek op de flitser en ik grijp mijn kans om een serie portretten te maken.

De optocht eindigt bij de rivier. Iedereen uit de wijde omtrek heeft zich hier verzameld om het ritueel voor de aanbidding van Shiva bij te wonen. Sachith verteld me dat het iets is met baden in de rivier en met piercings. Ik ben nieuwsgierig. Ik sta aan de rand van de rivier. De twintig jongens uit de vrachtwagen staan in een cirkel in het water en worden met bloemen bestrooit en met water overgoten. Links van me, in de tijdelijke veldtempel, brengt de guru (hoofdpriester) offers in de vorm van bananen en wierook.

Ik sta gefixeerd naar de vredig kringelende wierookwolkjes te kijken. Plotseling dringt het tot me door dat rechts van me iets anders aan gaande is. Een onbehaaglijk gevoel bekruipt me als ik het de jongens zie die ondertussen uit het water zijn gekomen. Ze dansen met hun ogen half dicht, agressief en als onder hypnose op het ritme van drums. Een aantal sterke mannen hebben een kring om de dansers gevormd om de jongens en de omstanders te beschermen. Ze hebben zich op het piercingritueel voorbereid door twee weken niet te eten. In combinatie met het geluid van de harde snelle drums zijn ze op een natuurlijke wijze gedrogeerd.

Een voor en worden de dansers uit de kring geplukt. Een paar meter verderop staan twee mannen klaar met een metalen draad van een halve centimeter doorsnede en wel twee meter lang. Hun handen wit van een desinfecterend poeder. Met een snelle beweging priemen ze de draad door de ene wang naar binnen en door de andere wang naar buiten. Zonder verdoving. De meeste jongens zijn op dit moment zo ver van deze wereld dat ze haast buiten westen zijn. Degenen die dit deel van het piercingritueel doorstaan hebben, staan bij de rivierbedding te wachten. Enkele van hun hebben ondertussen ook een set vleeshaken in hun rug geprikt gekregen. Zij zien er al wat kalmer uit. Als iedereen gepierced is worden ze aan de draad en haken opgehangen in de laadbak van de vrachtwagen. Alzo bungelend, gaat de hele stoet weer dezelfde weg terug naar de tempel.

Aan het eind van de avond zal de piercing verwijdert worden. Er rest slechts een klein wondje voor de komende dagen en veel geluk voor de rest van hun leven met god Shiva.

——————————————————————————–
Duizendeneennacht in de woestijn 
We zijn in Noord-India, Rajasthan. Vorige week in Jaipur hebben we een vriendelijke rikshaw chauffeur ontmoet. Hij overtuigt ons dat we Shekhawati niet mogen missen. Het ligt niet op onze route en er staat weinig over het gebied in de boeken. Toch ondernemen we de vijf uur durende treinreis in de smalspoor trein met houten banken. In elke coupe zitten slechts twee of drie mensen. We vleien ons neer op de harde banken van een lege coupé. Zes jongens komen bij ons zitten en het is ineens opvallend vol in vergelijking met de andere coupés. Ze spreken weinig Engels, maar ze zullen ons waarschuwen wanneer we eruit moeten.
Na een uur ben ik het gestaar zat. Ik kruip op het houten schap boven de bank. Met mijn ipod in m’n oren geplugd vind ik wat afleiding. De tijd gaat snel en het is al gauw vier uur later. Ik vermaak me nog steeds met m’n favoriete muziek.
De jongens vergeten ons te waarschuwen. Voor we het weten begint de trein alweer te rijden. We snellen naar de buitendeur die altijd open staat. Een van de jongens loopt voorop en gooit m’n rugzak op het perron. Denise aarzelt want de trein begint te versnellen. Dan springt ze en ik spring erachteraan. Pff, het volgende station is een uur verderop en er gaat maar drie keer per dag een trein. Maar we hebben het gered.

We staan op een piepklein perronnetje in het midden van de woestijn. Omringd door zand, zand, zand, enkele zielige bomen en een paar huisjes. In de verte loopt een Indiaase vrouw in haar knalroze sari. Het is een vrolijk stipje in contrast met het grijze landschap.
Een van de jongens is onzichtbaar ook uitgestapt en begeleidt ons naar de bushalte. Onze bagage ligt op een houten karretje, voortgetrokken door een ezel. Het is 40 graden, te heet om zelfs zonder bagage rond te lopen. Ik trek m’n sjaal nog verder over m’n hoofd om een zonnesteek te voorkomen. De stoffige rammelbus komt door de bocht aangescheurd. We betalen ieder acht rupees (E 0.14). Een hobbelig uur later komen we in het stadje Mandawa aan. Op zoek naar een overnachtingsplek lopen we langs oude haveli’s, sfeervolle huizen van vroegere rijkekoopmanslieden. In duizendeneennachtstijl met koele binnenplaatsen, ornamentale boogjes, kleurrijke muurschilderingen, kleine trapjes, geheime hoekjes en opengewerkte balkonnetjes. We nemen onze intrek in een gerestaureerde haveli, de meest romantische overnachtingsplek tot nu toe. Een paar dagen lang ontdekken we de dorpjes in de omgeving met hun vele haveli’s in staat van ontbinding en spookachtige verlaten paleizen. Helaas heeft Unesco Shekhawati ook nog niet ontdekt. Hopelijk komt de streek in de toekomst in aanmerking als World Heritage site. Anders zullen de mooie haveli’s over 25 jaar misschien niet eens meer bestaan.

We gaan overnachten in de woestijn. Het is vier uur in de middag, het heetst van de dag is voorbij. We wachten op de kameel en de houten kar. We willen niet op de kameel want we weten allebei uit ervaring hoe oncomfortabel dat is. Maar we willen ook wel een beetje het lokale gevoel hebben zoals de Indiers het doen. Ze vervoeren hier alles met kameel en houten kar.
We kijken erg uit naar wat onze eerste geluidloze nacht in twee maanden zal zijn! Er wordt ons gegarandeerd dat het er echt stil zal zijn. We zijn nog steeds aan het wachten. Ondertussen maken heeft de hoteleigenaar in zijn winkel twee traditionele Rajasthani ‘Rajput’ (afstammelingen van de hogere strijderskaste) kostuums gehaald. In felle kleuren en vol met goud, glimmers en glitters. Het zijn dezelfde kostuums als van de schilderijtjes die we laatst in Jaipur gekocht hebben. We houden een verkleedpartij om de tijd te doden, we voelen ons even twee Indiaase prinsesjes. Twee uur later komt eindelijk de kameel met de kar. We vertrekken meteen want we willen de zonsondergang nog zien in de woestijn, niet in het stadje. We zijn een beetje teleurgesteld want we willen ruim van te voren bij de tent aankomen, om ons te installeren, wat te relaxen en langzaamaan de zon te zien zakken. Nu is het een wat gehaast gedoe geworden.

We zijn amper de bebouwde kom uit en we zien de tent al staan. We hebben slechts 20 minuten in de kar gezeten en de zon gaat ook al onder. We zitten in grijze plastic tuinstoeltjes die eens wit waren. Uitzicht op de gloedvolle zonsondergang, de grote hoogspanningsmast en… Mandawa. De wind staat pal vanuit het stadje richting ons kamp. We horen het snelle getoeter van de lokale bus, het irritante gebrom van de vrachtwagens, het ijzige gerammel van de treinrails en het electronisch versterkte gezang van het avondgebed in de tempels. Alle andere dagelijkse geluiden maken samen het ondersteunende geroezemoes. Ik geef het op. Het zal nergens stil zijn in India.

We slepen de ijzeren bedden uit de vierkante kleurrijke tent. Ik slaap voor het eerst in m’n leven onder de blote sterrenhemel. Het regelmatige gesmak van de kameel en zijn donkere silhouet naast de boom, herinneren mij eraan dat ik het gevoel moet hebben dat ik in de ‘desert’ ben. Het woord ‘desert’ komt toch van… ‘deserted’?
Het geraas van het verkeer gaat verder. De drie jongens die voor onze veiligheid zorgen kletsen aan een stuk door. Uiteindelijk val ik toch nog in slaap. Af en toe wordt ik gewekt door een van de stadsgeluiden en een verdwaalde bromvlieg. Dan doe ik m’n ogen open en zie de sterren boven me. Dat is genoeg om weer even in slaap te vallen.
De laatste keer wordt ik gewekt door de zon die net boven de heuvel uitpiept. Ik krijg verse chai (melkthee met veel suiker) op bed. In Nederland drink ik altijd thee zonder melk en suiker. Ik heb in het begin wel aan de chai moeten wennen maar ik ben er nu verslaafd aan. Het is geweldig, de hele chaicultuur. Het wordt aangeboden als ik in een shop ben om spulletjes voor Koninginnedag in te kopen. Ik krijg het als ik op de tailor wacht totdat hij mijn katoenen pak af heeft, of als ik bij de buren ga kletsen. Je kunt chai niet weigeren, dat is een belediging voor de Indiers. Ik koop chai in een poreus terracotta wegwerp kommetje door het betraliede raam van de tweede klasse wagon als we op een station stilstaan en ik neem chai in een groen glaasje bij de chai wallah op straat. Versgebrouwen en het liefst op smaak gebracht met masala (kruidenmix met o.a. kaneel, kardamon, peper en turmeric). Het verbaast me hoe dit hete goedje je lichaam kan koelen in deze hoge temperaturen.

We hebben de Rajput kostuums mee de ‘woestijn’ in genomen. We laten deze kans niet lopen om een paar traditionele foto’s te maken. Voor de kleurrijke vierkant tent, op de stinkende en smakkend kameel en in de stoffige houten kar. Hebben we toch nog even lol in de woestijn.
Zo, en laten we nu maar weer terug gaan naar Mandawa om met de hoteleigenaar over de prijs te onderhandelen. Hij begrijpt het niet. er zijn al veel gasten van zijn hotel op dezelfde plek geweest en die klaagden niet. Bovendien is hij als hoteleigenaar niet gewend om dit soort dingen te organiseren (ook al zijn er veel gasten op safari geweest…). En het was toch best stil op de kampeer plek, minstens 2 kilometer van Mandawa? (ook al is hij er zelf nog nooit ’s nachts geweest). En we zijn daar geen andere mensen tegengekomen (dat is waar).
Het is als toen ik 14 was. Mijn zus en ik kregen van onze ouders een tentje voor op vakantie. Dat wilden we natuurlijk meteen uitproberen en we kampeerden in de achtertuin. Ken je dat gevoel? Net zo was onze ultieme woestijnervaring in Rajasthan.

Boos en teleurgesteld vertrekken we naar het dorp Nawalgarh. Een uurtje verderop met de stoffige rammelbus over de bekende hobbelige weg. De laatste twee nachten dat Denise en ik nog samen reizen willen we wat meer geld uitgeven voor iets bijzonders. We vinden een heus Rajput kasteel aan de rand van Nawalgarh. De enige andere gasten zijn een camerateam van de Duitse tv-zender ARD. Ze zijn een documentaire aan het maken.
Het mooie uitzicht en het verfrissende zwembad(je) maken veel goed. Aan het eind van de middag neem ik een duik. Blauwe pauwen, nationaal symbool van India, grijze mussen en knalgroene papegaaien komen nieuwsgierig aangevlogen. Ze nestelen zich in de hoge bomen rondom het kasteel.

Twee dagen later vertrekt Denise naar Delhi. Ik blijf nog een dag en ik verhuis naar het guesthouse van de buren. Het huis van Pinky en Bunty. Verder wonen er vader, moeder, oma en twee getrouwde broers met vrouw en kinderen. Ik ben de enige gast en ik wordt als familie ontvangen.
Vandaag is het Gangaur festival. een hindufestival voor vrouwen. Elk huis heeft een klein altaar. De getrouwde vrouwen gaan naar hun ouderlijk huis en bidden voor hun man dat hij nog lang en gezond mag leven. Het is slecht voor het aanzien van de vrouw als haar man eerder dan zijzelf overlijdt. Ongetrouwde vrouwen en meisjes bidden ervoor dat ze een goeie man zullen vinden waarmee ze een gelukkig leven zullen hebben. De vrouwen van het huis nodigen me uit. Ik doe mee met het ingewikkelde ritueel, ik eet allerlei huisgemaakte zoetigheden versierd met bladzilver en mijn handen worden prachtig met henna beschilderd.
Het ARD-team heeft gevraagd of ik ’s middags met ze mee wil gaan als ze Gangaur gaan filmen in een nog kleiner dorpje verderop. Eerst gaan we naar het huis van de actrice voor het onontkoombare rondje chai. In het dorpje zijn we interessante gasten. De meisjes in de kleurrijke kleding willen allemaal graag vrienden met me maken. Ze zijn helemaal niet wantrouwig. Na vijf minuten heb je al een vriendschap gesloten. Dit is zo tegenstrijdig met de westerse ‘kat uit de boom kijken’ cultuur dat ik er even aan moet wennen.
We zien de dorpsprocessie voorbij komen. Ik probeer al die verschillende kleuren met m’n camera vast te leggen. Dan begint m’n maag raar te doen. Voor het eerst sinds ik uit het ziekenhuis kwam valt het eten weer verkeerd. Voor ik het weet komt m’n lunch eruit. Ik voel me opgelaten met de constante aandacht van de locals, die me ook nu aan blijven staren. Het was maar een moment want een uur later voel ik me weer prima.
Pinky is bezorgd als een echte moeder, wanneer ik pas na de schemer terug kom. Ze is helemaal bezorgd als ik haar over de lunch vertel. Ze voelt zich schuldig omdat zij mijn lunch heeft gemaakt. Ze is een erg goeie kokkin en ze maakt alles vers. Maar de samosa kwam van de markt en was waarschijnlijk niet vers. Ze is erg lief voor me. Ze kookt witte rijst en ze maakt verse gemberthee. Voor het eerst slaap ik die nacht aan een stuk door, zonder gestoord te worden door wat voor geluid dan ook.

Ik heb het hier erg naar m’n zin. De familie is heel aardig, het zijn oprecht goeie mensen. Pinky kookt geweldig en het is heerlijk rustig. Pinky zet voor mij een tafel in het midden van de binnenplaats. Met candlelight op tafel (want de electriciteit is uitgevallen) en de sterren boven m’n hoofd geniet ik van een heerlijk diner. Ik besluit om uiteindelijk vijf dagen te blijven. Dan moet ik echt terug richting Mumbai om op tijd te zijn voor mijn vlucht naar Nederland. Anders was ik hier wel langer gebleven.
Al gauw kent het hele dorp me. Met m’n blonde haar en in mijn comfortabele rode of witte traditionele ‘chudidar’ (set van jurk met lange broek) ben ik de enige westerse persoon. De mensen hebben respect voor me omdat ik ‘Indian dress’ draag. Ik krijg alleen maar positieve reacties.

Pinky en ik gaan samen naar de markt voor het eten van vanavond. Ze zal een speciaal toetje voor me maken van de knalrode wortels die ze hier hebben. Net als ik is ze gek op snoepen. De volgende dag laat ik een chudidar bij een kleermaker op maat maken. ’s Avonds mag ik koken. Ik vind het erg leuk om weer eens achter het fornuis te staan. Ik maak voor de familie ananascurry, die ik heb leren maken in het zuiden van India tijdens de kookles daar. Het is de eerste keer en hij is gelukt want iedereen vind het lekker. Het zou een goed bijgerecht kunnen zijn voor mijn picknicks. Pinky en ik wisselen recepten uit en mijn collectie in mijn schriftje blijft groeien.

Elke zondagochtend komt de icecream wallah langs het huis. Ik moet van Pinky blijven om de verse culupi (melkijs) te proeven. IJs is natuurlijk een no no op reis, maar ze garandeert me dat het heel vers is en dat ik er geen last van krijg. Ik ga voor een tweede ronde. Dan moet ik echt naar het station. Ik vind het moeilijk om afscheid te nemen van de vrienden die ik hier heb gemaakt. Ik zal ze niet vergeten en voor wie naar India komt, ga ze opzoeken. Het is een bijzonder ervaring.

——————————————————————————–

Reacties zijn gesloten.

aanmelden nieuwsbrief culinair


zoek

myTaste.be